Luister live

Als de moed je in de schoenen zakt

Updated : 13-08-2026 Ik ben niet iemand die graag op de voorgrond staat of in het centrum van de belangstelling loopt. Ik loop ook zeker niet naast mijn schoenen – schoenen die ik overigens steeds vaker (denkbeeldig) aan het stuklopen ben. We kennen allemaal wel situaties waarin je je leeg voelt, of verzucht vanwege onrecht dat ons of onze samenleving overkomt. Dat moment is nu mijn gevoel.

Neem de opening van het Holocaustmuseum in Amsterdam op 10 maart 2024. In aanwezigheid van de Koning en de Israëlische president werden er leuzen gescandeerd als "Juden Raus" en "Oprotten KK-Zionisten". Op video zijn deze uitspraken vastgelegd. Ik heb die beelden destijds als burger zelfs naar de politie gestuurd. Toch kwam het Openbaar Ministerie met het bericht dat de aangiftes geseponeerd werden bij gebrek aan bewijs.

Het OM stelde: "De politie heeft geen camerabeelden of andere opnames van de betreffende locatie kunnen achterhalen. Ook de beveiliging van het Holocaustmuseum heeft de politie desgevraagd laten weten deze leuzen niet te hebben gehoord."

Hoe kan dat? Hoe kan het dat er beelden en geluid zijn die voor iedereen toegankelijk waren, maar dat het OM beweert dat ze er niet zijn? Is dit de doofpot? Of is men de zaak simpelweg 'vergeten'? We zullen het misschien nooit weten, maar we weten wel dat deze zaak niet op zichzelf staat.

Dan is er de zaak in Utrecht, waarbij een BIJ1-politica oproept tot het oppakken van vermeende Israëlische oorlogsmisdadigers via een burgerarrest. Zodra daar aangifte tegen wordt gedaan, vraag ik me af: welke lijn kiest het Openbaar Ministerie dan? Is dit opruiing, is dit haat zaaien? Inmiddels zijn er Kamervragen ingediend door Diederik van Dijk (SGP) naar aanleiding van deze oproep. Diverse politieke mensen die ik binnen de gemeente Utrecht gesproken heb, achten dit handelen zeker strafbaar. Update: Ik heb zelf nu voorgenomen om een aangifte in te dienen bij de politie.

Het lijkt erop dat we in een tijd leven waarin 'horen, zien en zwijgen' de standaard is geworden voor instanties, terwijl een heksenjacht op Joden steeds vaker gedoogd wordt. Kijk naar de Jodenjacht in Amsterdam: daar moest hemel en aarde bewogen worden door het CIDI om überhaupt schot in de zaak te krijgen (CIDI-artikel).

In de Utrechtse zaak zal mijn vasthoudendheid me niet in dank worden afgenomen, maar samen met meerdere inwoners van Joodse komaf ga ik tot het gaatje om dit niet onbestraft te laten. Ik weet dat ik me hiermee in de kijker speel, maar voor mij is dit geen kwestie van vrijblijvend idealisme. Het is een diepe, religieuze opdracht. Vanuit mijn band met de Eeuwige en een moreel besef dat vele malen zwaarder weegt dan een aards rechtssysteem dat krom is geworden, voel ik de plicht om de daad bij het woord te voegen.

Het is verleidelijk om de moed te laten vieren, om weg te kijken en te denken: het zal mijn tijd wel duren. Maar als we zwijgen wanneer de rechtsstaat wankelt, of wanneer aangiftes in een lade verdwijnen terwijl het bewijs op tafel ligt, dan offeren we onze diepste waarden op.

Daarom blijf ik staan. Niet omdat ik het leuk vind om me in een vechtpositie te wringen, maar omdat ik niet anders kan. Onrecht dat niet wordt benoemd, is onrecht dat de ruimte krijgt om te groeien. Als de moed je in de schoenen zakt, is dat menselijk. Maar de uitdaging van deze tijd is om die schoenen weer aan te trekken, de veters stevig te strikken en door te lopen – gedreven door een recht dat de menselijke maat en het aardse geknoei ver overstijgt.