Een gesprek over Zeist (2)
09-09-2026
Deze column is een vervolg op van de Bergwegkerk naar Auschwitz. Soms begint een bijzonder gesprek met iets heel gewoons: vertellen waar je vandaan komt.
Ik was in Den Haag voor een gepland bezoek aan de synagoge, vanuit mijn betrokkenheid bij het Joods Politie Netwerk. Het was, zoals ik mij herinner, de dag van de aanslag op het Joodse Cheider in Amsterdam. Roy Wonder ontving mij en we raakten aan de praat.
Toen ik vertelde dat ik uit Zeist kwam, reageerde hij verrast. Zijn oma had daar tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken gezeten. Bij de familie Coumou.
Die naam kende ik. De Coumous hadden contact met Hendrik en Elisabeth Visser, mijn oudoom en oudtante. Zij hadden aan de Eikenlaan de Joodse Elly Blazer verborgen. Ik vertelde Roy over die familieband. Hij vertelde verder over zijn oma: Miep Wonder.
Zo zaten we ineens midden in een geschiedenis die ons beiden persoonlijk raakte.
Een straatnaam uit het gesprek bleef mij bij: Gerolaan. Ik kon het adres niet plaatsen. Later onderzoek bracht andere adressen naar voren: Lindenlaan 7 en vervolgens Wulperhorst aan de Tiendweg. Of Gerolaan verkeerd is onthouden of nog bij een ander deel van het verhaal hoort, weet ik niet. De naam Miep Wonder en haar onderduik bij de Coumous zijn wel terug te vinden.
Miep werkte als verpleegster bij De Joodse Invalide in Amsterdam. Via predikant Gerrit Lugtigheid kwam zij bij Dingeman Jozias en Jannetje Coumou in Zeist terecht. Daar leefde zij onder de naam Kitty Zwaan. Ook de kinderen van de Coumous waren betrokken bij het verzet.
Wat betekent het om lange tijd onder een andere naam te leven? Je bent afhankelijk van mensen die je beschermen, terwijl je eigen naam gevaar oplevert. Buiten gaat het leven verder. Jij moet voorzichtig zijn met wie je ziet, waar je komt en wat iemand over je weet.
In maart 1944 werd het huis van de Coumous door de Sicherheitsdienst gevorderd. Het gezin moest vertrekken en werd ondergebracht op Wulperhorst. Miep ging mee. Haar bescherming bleef dus doorgaan, ook toen de onderduikgevers hun eigen woning verloren.
Miep overleefde. Na de oorlog trouwde zij met Leo Cohen. Zij kregen vier kinderen en vertrokken naar Israël. Haar ouders en beide zusters waren vermoord.
Wanneer Roy over zijn oma vertelde, sprak hij over iemand die door hulp van anderen verder had kunnen leven. Voor mij kreeg de naam Coumou tegelijk een plaats naast de namen die ik uit mijn eigen familie kende.
De samenwerking tussen de Coumous en de Vissers is inmiddels ook terug te lezen in de toespraak die Sonya Grypma-Visser in mei 2024 in Zeist hield. Zij noemde de families met wie haar grootouders nauw hadden samengewerkt. Coumou was daar één van.
Dat helpt mij om deze geschiedenis beter te begrijpen. Rond de onderduikadressen stonden mensen die elkaar kenden en op elkaar moesten kunnen vertrouwen. Een adres regelen, iemand begeleiden, voedsel verzorgen of een deur openen: het waren handelingen waarvan een mensenleven kon afhangen.
Er zijn ook vragen waarop ik nog geen antwoord heb. Hendrik had een radiohandel en technische kennis. Was hij betrokken bij apparatuur voor het verzet rond de Oosterkerk? Het is een mogelijkheid die ik verder wil onderzoeken. Zolang daarvoor geen bewijs is, blijft het een vraag.
Het gesprek met Roy hoef ik niet in te vullen. Dat heeft plaatsgevonden. Hij vertelde mij over zijn oma, ik vertelde hem over mijn familie. We ontdekten dat de mensen over wie we spraken elkaar hadden gekend.
Sindsdien hoort bij de naam Miep Wonder voor mij ook die ontmoeting in Den Haag. En bij het onderduikadres in Zeist de stem van een kleinzoon die vertelde: mijn oma heeft daar gezeten.
