Licht in de duisternis

17-08-2026
Het beeld van licht in de duisternis, of zoals wij ook wel zeggen: licht aan het einde van de tunnel, brengt een aantal woorden bij mij boven die bepalend zijn geworden voor mijn persoonlijke manier van leven.
Allereerst denk ik aan Psalm 119, vers 105:
“Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.”
Licht betekent voor mij niet alleen dat wij zelf iets ontvangen. Wij kunnen ook zelf een licht zijn door goede daden te doen, door op te staan voor een ander en door niet te zwijgen wanneer mensen onrecht wordt aangedaan.
Juist in een kwade en turbulente tijd, waarin antisemitisme opnieuw steeds nadrukkelijker zichtbaar wordt, moest ik de afgelopen dagen terugdenken aan een tentoonstelling die ik enkele jaren geleden vanuit mijn werk voor het Joods Politie Netwerk mocht organiseren.
De tentoonstelling ging over de politie tijdens de Tweede Wereldoorlog en droeg het thema Zwart – Wit – Grijs.
Zwart stond, kort gezegd, voor politieambtenaren die meewerkten met de bezetter en betrokken raakten bij het oppakken en vervolgen van Joden. Wit stond voor hen die weigerden mee te werken, Joden hielpen of op andere manieren weerstand boden. En grijs stond voor degenen die niet duidelijk kozen, zich aanpasten of met de omstandigheden meebewogen.
Tijdens de opening van die tentoonstelling werden woorden uitgesproken die mij zijn bijgebleven.
Vanuit de politie klonk:
“Zwijgen doen we nooit meer. We willen een politie zijn die voor ieders veiligheid staat.”
En:
“We zijn voor een veilige samenleving en willen een herhaling van de Tweede Wereldoorlog voorkomen.”
Met die herhaling werd vanzelfsprekend niet bedoeld dat de geschiedenis zich ooit exact hetzelfde zal herhalen, maar wel dat wij nooit meer mogen wegkijken wanneer Joden worden bedreigd, geïntimideerd of buitengesloten.
Ik had voor de opening ook Gert-Jan Segers gevraagd om te spreken. Als toenmalig voorman van de ChristenUnie had hij zich regelmatig uitgesproken voor de Joodse gemeenschap in Nederland. Een gemeenschap die ook toen al merkte dat de druk toenam.
Hij sprak woorden die mij zijn bijgebleven:
“We kunnen niet uitsluiten dat antisemitisme opnieuw gebeurt. Jodenhaat is nooit weggeweest. Het sluimert hooguit om later weer de kop op te steken. En het raakt ons allemaal, want als wij Joden niet kunnen beschermen, kunnen we niemand beschermen. Het gaat over onze rechtsstaat.”
Tranen als brood
Nog voordat die avond begon, gebeurde iets wat ik niet snel ben vergeten.
Tijdens de opbouw was ik bezig de laatste verlichting aan te sluiten bij de vitrines. Daarin lagen voorwerpen uit de NSB- en nazitijd. Op een van de panelen stond een Jodenster en het bord:
“Voor Joden verboden.”
Terwijl ik daar alleen op een ladder stond, met mijn gereedschap in mijn handen, las ik opnieuw de teksten op de panelen.
Ik ben opgegroeid met de Psalmen. Woorden die soms jarenlang ergens in je geheugen liggen en op een onverwacht moment weer naar boven komen.
Daar, op dat moment, kwamen de woorden van Psalm 42 bij mij binnen:
“Mijn tranen zijn mij tot brood geworden, dag en nacht, terwijl men de hele dag tegen mij zegt: Waar is jouw G-d?”
En even verder:
“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op G-d; want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.”
Veel tijd om daarbij stil te staan kreeg ik niet. De hulp die ik die middag verwachtte, bleek niet te komen. De zaal moest echter wel worden opgebouwd.
Dus werd het sjouwen. Stoelen klaarzetten, een podium bouwen, een groot scherm naar beneden krijgen, de techniek op orde brengen en zorgen dat alles gereed was voordat rond zeven uur de eerste gasten zouden binnenkomen.
Met letterlijk bloed, zweet en tranen kreeg ik alles op tijd klaar.
Daarna snel naar huis, iets eten, douchen, uniform aantrekken en terug om als ceremoniemeester de gasten te ontvangen, het openingswoord te spreken en de verschillende sprekers aan te kondigen.
Het werd een beladen avond.
Waarom denk ik daar nu opnieuw aan?
Waarom komt die tentoonstelling juist nu, in 2026, opnieuw zo sterk bij mij boven?
Omdat de woorden “zwijgen doen we nooit meer” alleen betekenis hebben wanneer wij ze ook werkelijk toepassen op het moment dat het moeilijk wordt.
De afgelopen periode waren er in Utrecht gebeurtenissen waarbij Israëlische bezoekers en studenten zich ernstig onveilig hebben gevoeld. Er werd publiekelijk opgeroepen tot een zogenoemd burgerarrest van een Israëlische man die met naam en foto herkenbaar werd gemaakt en die door activisten als oorlogsmisdadiger werd aangemerkt.
Los van de juridische beoordeling daarvan doet zo'n gebeurtenis iets met mensen.
Met Israëli's die hier verblijven.
Met Nederlandse Joden.
Met mensen die zichtbaar Joods zijn.
En ook met degenen die zich verbonden weten met Israël en het Joodse volk.
Het roept de vraag op waar de grens ligt tussen demonstreren, scherpe politieke kritiek en het persoonlijk aanwijzen, intimideren of bedreigen van mensen.
Er bestaat vrijheid van meningsuiting. Er bestaat vrijheid om te demonstreren. Dat zijn belangrijke grondrechten.
Maar er bestaat óók een recht op veiligheid.
En daar begint voor mij de werkelijke vraag.
Wat betekenen onze woorden wanneer een kleine minderheid zegt: wij voelen ons niet meer veilig?
Luisteren wij dan werkelijk?
Of leggen wij eerst uit waarom hun angst misschien overdreven is?
Ik ontvang steeds vaker verhalen van Joodse mensen die zich afvragen of zij nog zichtbaar Joods kunnen zijn. Studenten die terughoudend zijn over hun identiteit. Mensen die twijfelen of aangifte doen zin heeft. Ouders die zich zorgen maken over wat hun kinderen op school meemaken.
Ook mijn eigen gezin is met antisemitische scheldwoorden geconfronteerd.
Dat doet iets met je.
Juist daarom blijven die woorden uit de tentoonstelling terugkomen:
“Zwijgen doen we nooit meer.”
Als wij dat werkelijk menen, dan geldt die belofte niet alleen wanneer wij terugkijken naar 1940-1945.
Dan geldt zij juist vandaag.
De geschiedenis herhaalt zich zelden op precies dezelfde wijze. Maar de mechanismen waarmee mensen worden aangewezen, buitengesloten, collectief verantwoordelijk gehouden en uiteindelijk als minderwaardig worden beschouwd, verdienen altijd onze aandacht.
Daarom gaat dit voor mij niet uitsluitend over Israël, Gaza, politiek of demonstraties.
Het gaat uiteindelijk over onze rechtsstaat.
Over de vraag of iedere burger in Nederland dezelfde bescherming mag verwachten.
En over de vraag of wij werkelijk durven opstaan wanneer een minderheid ons vertelt dat zij bang is.
Sta op en word verlicht
Dan kom ik opnieuw bij het licht.
Jesaja 60 begint met deze woorden:
“Sta op, word verlicht, want jouw licht is gekomen en de heerlijkheid van de Eeuwige is over jou opgegaan. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de volken; maar over jou zal de Eeuwige opgaan en Zijn heerlijkheid zal over jou gezien worden.”
Die woorden ontkennen de duisternis niet.
Integendeel.
Er is duisternis.
Er zijn momenten waarop een mens zich afvraagt waar G-d is.
Psalm 42 durft zelfs die vraag hardop te stellen:
“Waar is jouw G-d?”
Maar het antwoord van de Psalm is niet wanhoop.
“Hoop op G-d.”
Dat is geen goedkope uitspraak waarmee verdriet wordt weggepoetst.
Het betekent dat de duisternis niet het laatste woord krijgt.
Een eeuwig verbond
Daarbij zijn er nog andere woorden die vanaf mijn jeugd diep in mij zijn gelegd.
De belofte aan Abraham:
“En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.”
En later, in Genesis 17 vers 7:
“En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een G-d, en uw zaad na u.”
Mijn inmiddels overleden moeder bracht dat ooit veel eenvoudiger onder woorden.
Ze zei:
“Vergeet nooit het verbond tussen G-d en Zijn volk.”
Waarschijnlijk kon zij toen niet weten hoeveel betekenis die eenvoudige woorden later voor mij zouden krijgen.
Ze zijn in mijn hart blijven liggen.
En juist nu komen ze telkens terug.
Niet als politieke slogan.
Niet als reden om alles wat de staat Israël doet automatisch goed te keuren.
Maar als diepe overtuiging dat het Joodse volk, ondanks eeuwen van vervolging, verstrooiing en haat, niet uit de geschiedenis verdwenen is.
Het verbond is voor mij daarom verbonden met verantwoordelijkheid.
Wie zegt naast het Joodse volk te staan, moet ook durven opstaan wanneer Joden opnieuw worden bedreigd.
Wie zegt de geschiedenis te hebben geleerd, moet daar juist iets van laten zien wanneer het ongemakkelijk wordt.
En wie zegt een licht te willen zijn, kan niet tegelijkertijd wegkijken van de duisternis.
Daarom kom ik uiteindelijk weer uit bij die woorden waarmee deze column begon:
“Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.”
Een lamp verlicht niet altijd de hele weg.
Soms zie je maar één volgende stap.
Maar misschien is dat ook wat van ons gevraagd wordt.
De volgende stap zetten.
Niet zwijgen.
Opstaan voor de ander.
Een goede daad verrichten.
Een mens beschermen.
En telkens wanneer de duisternis sterker lijkt te worden, weigeren het licht uit te doen.
Want misschien begint licht in de duisternis uiteindelijk precies daar:
bij één mens die besluit dat de duisternis niet het laatste woord zal hebben. Een deel van deze boodschap ga ik deze week en komende weken op een aantal manieren onder de aandacht brengen.