Moed is nodig – juist als het erop aankomt
24-08-2026 Updated: 28-08-2026
In deze tijd van polarisatie en van bijna dagelijks herhaalde beschuldigingen aan het adres van Israël, komt er een moment waarop woorden niet meer voldoende zijn. Wie zegt ergens voor te staan, moet soms ook de daad bij het woord voegen.
Veel mensen buiten de Joodse wereld hebben nauwelijks een idee van de manier waarop het leven van Joodse Nederlanders sinds 7 oktober 2023 is veranderd. De onzekerheid, het gevoel voortdurend ter verantwoording te worden geroepen en de noodzaak om op bepaalde plaatsen extra waakzaam te zijn, zijn voor velen werkelijkheid geworden.
Vanuit mijn maatschappelijke en ambtelijke betrokkenheid voel ik een morele plicht – en soms ook de last – om tegen de stroom in te gaan. In een belangrijk gesprek met een hooggeplaatste leidinggevende zei ik onlangs ongeveer het volgende:
“Wie tegenwoordig als Jood over straat loopt, moet op sommige plaatsen extra op zijn hoede zijn. En wie zich openlijk zionist noemt – en dat ben ik – loopt het risico te worden uitgemaakt voor moordenaar, bezetter of erger.”
Neem zangeres Lenny Kuhr. Tijdens een optreden kreeg zij te horen dat zij zich moest schamen voor het “steunen van genocide”. Zij is slechts één zichtbaar voorbeeld van wat Joden en Israëliërs door pro-Palestijnse activisten naar het hoofd geslingerd krijgen.
Maar het blijft niet bij bekende Nederlanders of incidenten die ver van huis plaatsvinden.
Enkele jaren geleden liep ik met mijn kinderen in een speeltuin. Ik droeg mijn jongste in mijn armen toen een groepje jongeren gericht “k.....joden” riep. Uiteraard sprak ik hen daarop aan en wees ik hen erop dat een dergelijke uiting strafbaar kan zijn.
Dit jaar kreeg mijn dochter in de klas te horen: “Mijn vader zei dat jij een k..jood bent.” De school deed er nauwelijks iets mee, omdat de oorspronkelijke uitspraak van de vader buiten school zou zijn gedaan. Maar de belediging werd wél op school tegen mijn dochter uitgesproken. Als vader raakt dat je diep.
Mijn jongste was eerder al op school geconfronteerd met woorden die ik hier niet zal herhalen. Daarvan heb ik aangifte gedaan. Gelukkig is in die zaak vervolging ingesteld.
Een grens werd overschreden
Ook wat zich onlangs in Utrecht afspeelde – en wat in andere steden, waaronder Amsterdam, eveneens zichtbaar is – laat mij niet onberoerd.
Tijdens een pro-Palestijnse actie klonk door een microfoon een oproep om een Israëlische burger aan te houden en naar het politiebureau over te brengen. Volgens de actiegroep zou deze persoon als militair oorlogsmisdaden hebben gepleegd. Zijn naam en foto werden publiekelijk getoond, met daarbij de mededeling dat hij in Utrecht zou rondlopen.
In feite werd het publiek opgeroepen tot een zogenoemd burgerarrest, terwijl de beschuldigingen niet door een rechter waren vastgesteld. Een soortgelijk voorval elders zou nog in onderzoek zijn.
Toen ik de beelden zag, zat ik op een terras in Griekenland. Toch begreep ik onmiddellijk de ernst ervan. Een herkenbaar persoon aanwijzen, hem publiekelijk van ernstige misdrijven beschuldigen en omstanders oproepen hem vast te grijpen, kan niet worden afgedaan als zomaar een politieke mening.
Na het zien van de beelden heb ik daarom vragen gesteld aan het bevoegde gezag. Daarop heb ik een antwoord ontvangen waarop ik vanwege de vertrouwelijkheid nu niet verder kan ingaan.
Daarnaast heb ik verschillende politieke vertegenwoordigers in Den Haag over deze kwestie geïnformeerd. Zij besloten er werk van te maken. De schriftelijke vragen aan de minister zijn gesteld en wachten nog op beantwoording.


Voor mij was een grens overschreden. Daarom heb ik een aangifte voorbereid, en inmiddels (28-09-2026) ingediend direct bij het Arrondissementsparket gericht aan de Officier van Justitie in Utrecht. Ik weet dat ook andere burgers inmiddels de aangifte hebben gedaan. Wegkijken is in dit geval voor mij geen optie. Mocht het Openbaar Ministerie uiteindelijk besluiten niet tot vervolging over te gaan, dan zal ik de mogelijkheden bestuderen om via een artikel 12-procedure bij het gerechtshof om vervolging te verzoeken. Voor mij is dit een principe en morele kwestie waar ik met hand en tand me tegen zal verzetten dat dit in een land kan waar we zeker in een stad als Utrecht met zijn NSB en Nazi verleden, gericht tegen ons, Joden geen plaats mag zijn voor deze nieuwe vorm van haat.

Niet omdat ik naar een juridische strijd verlang, maar omdat het aanwijzen en publiekelijk vogelvrij verklaren van mensen nooit normaal mag worden.
Wat doet dit met Joodse Nederlanders?
In gesprekken met hoog geplaatste leidinggevenden heb ik de afgelopen twee weken hen duidelijk gemaakt welk effect de onophoudelijke beschuldigingen van genocide en oorlogsmisdaden hebben op de Joodse gemeenschap. Joden en Israëliërs worden steeds opnieuw aangesproken alsof zij persoonlijk verantwoordelijk zijn voor ieder besluit van de Israëlische regering of voor alles wat zich in Gaza afspeelt. In mijn uitleg merkte ik wel dat mijn verhaal ze wel raakte, maar tot nu toe woorden maar geen daden.
Dat gebeurt niet alleen in het publieke debat. Het bereikt de werkvloer, scholen, speeltuinen en de straat.
Ondertussen ben ik een WhatsApp-groep begonnen met verschillende mensen uit de Joodse gemeenschap Utrecht, onder wie een rabbijn en andere betrokkenen die zich ernstig zorgen maken over het verziekte klimaat in Utrecht. Zij zijn de vijandige bejegening en de eenzijdige houding in de stad meer dan zat. En dat kan en mag ik niet laten gebeuren. Voor mij persoonlijk is in de eerste plaats mijn geloof in G-d de basis van mijn handelen, op de tweede plaats het Verbond dat Hij gesloten heeft tussen Hem en Bne Israël. Dat is de rode draad die ik meegekregen heb met name van mijn moeder maar waar ik ook persoonlijk in geloof.
Nu wordt vaak gezegd dat de vijandigheid zich uitsluitend tegen “zionisten” of Israëliërs richt en niet tegen Joden. Maar dat onderscheid blijkt in de praktijk steeds minder houdbaar. Zionisme wordt gebruikt als scheldwoord en als middel om Joden uit te sluiten, te intimideren of verantwoordelijk te houden voor een oorlog die duizenden kilometers verderop wordt gevoerd.
In een gesprek met een leidinggevende zei ik daarom: “Vandaag zijn de zionisten en Israëliërs aan de beurt. Morgen misschien wij allemaal.”
Formeel mag ik mij volgens de halacha wellicht niet zonder meer tot het Jodendom rekenen. Maar voor mij is het Jodendom de waarheid waarmee ik mij verbonden weet. Mijn kinderen zijn Joods en Israëlisch. Dat kan en zal niemand van hen afnemen.
Mijn drie fundamenten
Voor mij zijn er drie fundamentele waarden:
- mijn geloof in de Eeuwige en Zijn heiligheid;
- mijn gezin en de mensen om mij heen, onder wie mijn Joodse vrienden en het volk Israel;
- Nederland en Israël.
Wie daaraan komt, raakt aan mijn fundamenten. Die zal ik met overtuiging verdedigen – niet met geweld of roekeloosheid, maar met woorden, argumenten en, wanneer dat nodig is, langs politieke en juridische weg.
Ik besef dat ik mij met deze houding kwetsbaar opstel. Toch kan en mag ik niet wegkijken wanneer ik meen dat er onrecht plaatsvindt. Ooit legde ik een ambtseed af, in de naam van G-d. Een eed is geen vrijblijvende formulering die alleen tijdens een plechtigheid betekenis heeft.
In Numeri 30 staat:
“Wanneer een man de Eeuwige een gelofte doet of onder ede een verplichting op zich neemt, mag hij zijn woord niet breken; hij moet alles doen wat hij heeft toegezegd.”
Enkele weken geleden lazen we dit gedeelte in de wekelijkse parasja. Voor mij zijn deze woorden niet vreemd of theoretisch. Ze raken precies aan de manier waarop ik in het leven wil staan: betrouwbaar zijn, mijn woord houden en verantwoordelijkheid nemen.
Geen heldendaad
Moed tonen betekent niet dat iemand overmoedig moet worden. Het gaat er ook niet om te laten zien hoe goed, sterk of principieel je zelf bent. Werkelijke moed is recht proberen te doen aan je overtuiging, juist wanneer daaraan een prijs verbonden is.
Ik denk daarbij aan Hendrik Visser de oud-oom van mijn moeder. In 1941 nam hij in zijn gezin een Joodse vrouw in huis en wist hij verschillende leden van zijn kerkelijke gemeente ervan te overtuigen eveneens Joodse onderduikers op te nemen. Hij deed wat noodzakelijk was in een tijd waarin wegkijken veiliger was. Dit verhaal is opgetekend door Roel Bosch. Hendrik Visser ontving de onderscheiding "Rechtvaardige onder de Volken" van Yad Vashem in 1978. En nee, ik zit niet te wachten op een onderscheiding.
Dan is moed geen wanhoopsdaad en ook geen middel om jezelf tot held te verheffen. Moed begint bij de erkenning dat er een gezag boven ons staat dat groter is dan wijzelf.
Ook onze koning ondertekent wetten met de woorden:
“Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.”
“Bij de gratie Gods” is geen onbetekenende formulering. Het drukt uit dat ook het hoogste menselijke gezag niet absoluut is. Koning, regering, bestuurders, ambtenaren en burgers dragen verantwoordelijkheid voor de manier waarop zij met hun bevoegdheden omgaan.
Uiteindelijk denk ik terug aan de woorden van Psalm 27, die ik vele jaren zong toen ik nog tot een kerkelijke gemeente behoorde:
“Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Wacht op den HEER, godvruchte schaar, houd moed;
Hij is getrouw, de bron van alle goed;
Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den HEER.”
Het zijn krachtige woorden. Zij leren mij dat moed niet betekent dat je nooit bang, onzeker of vermoeid bent. Moed betekent dat je ondanks die gevoelens blijft staan voor wat rechtvaardig is.
Niet om jezelf te verheffen. Niet uit woede of overmoed. Maar omdat er momenten zijn waarop zwijgen en wegkijken geen aanvaardbare keuzes meer zijn.
Moed is nodig – juist als het erop aankomt.