Luister live

Waardeer ook het goede

08-09-2026

Soms klinken mijn columns wellicht wat somber. Toch zijn er ook genoeg mooie en leuke dingen — dingen die ik persoonlijk graag doe.

Zo kan ik ervan genieten om een nieuwe smartphone te installeren; inmiddels al de tweede deze week. In mijn zakelijke hoogtijdagen deed ik er zo’n vijftig per dag. Daarnaast houd ik ervan complexe IT-problemen op te lossen of uit te zoeken hoe iets handiger kan, tegenwoordig soms met een beetje hulp van AI. Zo blijf ik ‘bij de tijd’ — tenminste, dat denk ik. Mijn dochter denkt daar anders over en vraagt nog weleens: ‘Pap, onder welke steen kom jij vandaan?’ Tja, een generatiedingetje?

Op ICT-gebied kan ik met mijn ruime kennis meestal nog wel iets toevoegen. Soms leidt dat tot enige irritatie, bijvoorbeeld wanneer ik bewust een spel of de toegang tot een website blokkeer. Aan de andere kant is diezelfde pap dan weer erg handig als de internetverbinding in het appartement van mijn zoon moet worden aangelegd.

Ik dacht altijd dat ik twee linkerhanden had, maar na de verbouwing van een appartement in de afgelopen maanden blijkt dat reuze mee te vallen. Ik installeerde een boiler, bouwde een scheidingswand en sloot een kookplaat aan. Onlangs plaatste ik thuis zelfs een nieuwe vaatwasser. Alleen het keukenfront was minder leuk, want dat paste niet. Gelukkig heeft de buurman beter gereedschap. Met zijn speciale zaag kon hij het front op maat maken.

Toen ik bij hem kwam, vroeg hij: ‘Hoeveel moet eraf?’

‘Volgens ChatGPT zes centimeter,’ zei ik, ‘maar doe toch maar vijf, want ik heb de vaatwasser opnieuw afgesteld en iets hoger gezet.’

Eerlijk gezegd was het een gok, maar precies goed: het front hangt weer netjes aan de vaatwasser.

Ook kinderen iets leren kan best leuk zijn. Op een dag zei mijn oudste: ‘Pap, ik ga de deur schilderen.’

‘Dat is prima,’ antwoordde ik.

Een uur later kwam ik terug en zag ik eerder een soort Picasso dan een deur die netjes in banen met een roller was geschilderd. ‘Oei,’ zei ik, ‘de hele deur moet opnieuw worden geschuurd. Morgen laat ik je wel even zien hoe het moet.’

En geloof me: ik háát klussen. Maar soms is zelf doen toch goedkoper dan een vakman inhuren.

Twee jaar geleden moest de badkamer worden vervangen. Eerst was er de grote ellende van het slopen, daarna kwamen er wat minder betrouwbare klusjesmannen die er een zooitje van maakten. Uiteindelijk kwam ik via een aannemer in contact met een jonge vrouw van 21 die zei dat zij de badkamer wel kon verbouwen. Toen ze aan de deur stond, dacht ik nog: kan deze jonge vrouw werkelijk een complete badkamer verbouwen?

Eind goed, al goed. Ze deed bijna alles in haar eentje, van het plaatsen van zware tegels tot het monteren van panelen, en leverde vakwerk af. Het is dus niet zo dat ik alles zelf kan of wil doen. Soms moet je ook kunnen delegeren.

Leuke dingen gaan voor mij verder dan klussen, radio en IT. Ik vind het bijvoorbeeld geweldig om vakanties uit te zoeken. Momenteel ben ik al bezig met de reis die ik in februari samen met mijn zoon van 17 naar Israël hoop te maken. Het programma is inmiddels redelijk compleet. Omdat het naar schatting mijn vijftigste reis wordt, kwam AI aanvankelijk vooral met de bekende toeristische bezienswaardigheden. Inmiddels heeft het beter door waarnaar ik op zoek ben en heb ik verschillende minder voor de hand liggende plekken gevonden. Ik verwacht dat deze reis niet alleen een vakantie wordt, maar ook een religieuze verrijking — misschien zelfs een beetje thuiskomen. Wat Israël precies met mij doet, laat ik hier verder in het midden, maar ik tel de dagen tot ons vertrek nu al af.

Nog even terug naar de kinderen. Een aantal jaren geleden ging ik met mijn twee oudste zoons op Jom Kippoer naar sjoel. Bij mij moet alles perfect verlopen en van tevoren is er altijd dezelfde vraag: waar zijn de keppeltjes? Pap is thuis de ‘keppeltjesman’, dus ik heb ze bij me of ze liggen klaar in een lade.

Mijn oudste zoon kwam naar beneden in een T-shirt en zei: ‘Pap, ik ben klaar.’

‘Denk je nu werkelijk dat je zo naar de synagoge gaat?’ vroeg ik.

Zijn reactie laat zich raden: ‘Pap, je bent ouderwets!’

Uiteindelijk ging hij in een door mij gestreken overhemd mee. Bij de synagoge aangekomen gaf ik mijn zoons hun keppeltjes. De een had kort daarvoor zijn bar mitswa in Jeruzalem gevierd; de ander zou dat enkele jaren later doen. Toen kwam de clou: ik kon mijn eigen keppeltje nergens vinden. Bij de ingang heb ik dus voorzichtig om een leenkeppeltje gevraagd voordat we naar binnen gingen.

Het heeft iets ironisch dat mijn kinderen juist míj soms om zulke dingen vragen, terwijl ik zelf uit een andere religieuze achtergrond kom. Misschien ligt daar ook een zekere kracht. Ik ben streng gereformeerd opgevoed, in een omgeving waarin regels strikt werden nageleefd. Wat een orthodoxe Jood op sjabbat niet doet, deden wij vroeger vaak op zondag niet.

Ergens in de jaren tachtig waren we met mijn oma op vakantie in Zuid-Duitsland. Het werd zondag, dus de nette zondagse kleren gingen aan. Buiten zag ik jongens voetballen en ik liep naar buiten om mee te doen. Volgens mij stond mijn moeder nog geen vijf minuten later buiten: ‘Naar binnen jij! Dat doen wij niet op zondag.’

Mijn wat striktere ideeën botsen daarom nog weleens met die van anderen. Des te mooier vind ik het dat mijn oudste — inmiddels alweer 22 — onlangs een pak ging kopen, terwijl hij mij vroeger uitlachte wanneer ik in pak naar de synagoge ging. Het kan verkeren.

Zelf kan ik mij behoorlijk opwinden wanneer mensen tijdens een dienst met elkaar praten of voortdurend in- en uitlopen. Jaren geleden was ik bevriend met een jonge vrouw uit Amersfoort. Op een zondagochtend appte ze mij om half elf. Ik schreef terug: ‘Hé Jeanette, ben je niet naar de kerk?’ Haar antwoord luidde: ‘Jawel, maar de dienst is zó saai.’ Een telefoon gebruiken tijdens een religieuze dienst is voor mij eenvoudigweg uitgesloten.

Ergens in de jaren negentig — ik behoorde toen nog volop tot de reformatorische kerkelijke wereld — ontdekte ik dat een klasgenote eveneens lid was van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Zij in Veenendaal, ik in Zeist. We raakten aardig aan de praat. Zij hield van paardrijden en we spraken bij haar thuis af voor een date. Er was alleen een duidelijk verschil: haar gemeente was tamelijk liberaal en de mijne orthodox, behorend tot wat ‘Bewaar het Pand’ werd genoemd. Ik verscheen dus in pak op onze date. Dat was natuurlijk nogal overdressed, maar achteraf vooral hilarisch. Na het paardrijden had ik het overigens wel gezien.

In de afgelopen jaren ben ik steeds meer naar het Jodendom toegegroeid. Niet omdat ik zomaar iets wil worden of zijn, en evenmin om praktische redenen. Mij was altijd geleerd dat het Jodendom zwaar was, met al zijn wetten en regels. Gaandeweg ontdekte ik juist de schoonheid ervan en de wijsheid waarnaar ik eigenlijk altijd al op zoek was. Die wijsheid ligt niet alleen in bijvoorbeeld de reinigings- en spijswetten, maar gaat veel dieper.

Ik moest ook overtuigingen afleren en loslaten. Een ingrijpend voorbeeld daarvan is het loslaten van het geloof in Jezus, zonder daar hier verder over uit te weiden. Psalm 119 liet mij iets zien wat ik in de ongeveer 35 jaren daarvoor nooit zo had gezien of begrepen. Waarom ik op een sjabbat ineens de hele psalm ben gaan lezen, weet ik eigenlijk niet meer. Iets zette mij ertoe aan.

Psalm 119 laat zien dat liefde voor Gods wet in wezen liefde voor God Zelf is. De dichter ervaart de wet niet als een zwaar pakket regels, maar als betrouwbaar goddelijk onderwijs dat richting, bescherming, wijsheid en vreugde schenkt.

‘Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar Uw bepalingen’, zegt hij in vers 20. Gods getuigenissen zijn zijn ‘vermaak’ en zijn ‘raadgevers’ (vers 24). Hij wil de wet niet alleen kennen, maar haar ook begrijpen en werkelijk naleven (verzen 33–35). Gods onderwijs is hem meer waard dan rijkdom: ‘De wet uit Uw mond is beter voor mij dan duizenden stukken goud of zilver’ (vers 72).

Misschien wordt de kern het duidelijkst verwoord in vers 97: ‘Hoe lief heb ik Uw wet! Hij is heel de dag mijn overdenking.’ Gods woorden zijn voor hem ‘zoeter dan honing’ (vers 103) en geven richting: ‘Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad’ (vers 105). Zelfs in verdriet en vervolging blijft hij aan Gods geboden vasthouden. Hij zegt rechtstreeks: ‘Zie hoe ik Uw bevelen liefheb’ (vers 159). Die liefde schenkt ook rust: ‘Wie Uw wet liefhebben, hebben diepe vrede; voor hen ligt er geen struikelblok’ (vers 165).

De liefde voor de wet is in Psalm 119 dus geen koude gehoorzaamheid. Zij bestaat uit verlangen, vreugde, vertrouwen, studie, gebed en volharding. De dichter gehoorzaamt niet uitsluitend omdat het moet, maar omdat hij Gods wil als goed, rechtvaardig en levengevend heeft leren kennen.

Tegelijk is Psalm 119 geen loflied van iemand die denkt dat hij alles al volmaakt doet. De dichter bidt steeds om onderwijs, inzicht en kracht: ‘Leer mij, HEERE, de weg van Uw verordeningen’ (vers 33). Ware liefde voor Gods wet brengt daarom zowel vreugde als nederigheid voort. Een mens wil Gods woorden bewaren, maar beseft tegelijk dat God Zelf zijn hart moet openen en hem op de juiste weg moet leiden.

Ik begon deze column met de titel: ‘Waardeer ook het goede.’ Dat goede vind ik uiteindelijk ook terug in de centrale geloofsbelijdenis van het Jodendom, het Sjema Jisraël. Op mijn eigen manier probeer ik handen en voeten te geven aan zingeving, discussie en leren. Daarbij wil ik ook kritisch blijven, vooral op mijzelf, maar soms eveneens op de vraag hoe en waarom bepaalde halachische regels zijn ontstaan.

Ik volg regels niet alleen omdat iemand zegt dat het moet. Ik wil begrijpen waarom ze goed zijn en ze vanuit overtuiging naleven. Tegelijk zijn er regels waarnaar ik anders kijk of waarbij ik vragen houd. Juist ook dat zoeken en leren hoort voor mij bij geloof.

Misschien is een van de mooiste dingen die mij zijn overkomen wel dat twee mensen die ooit volkomen vreemden voor elkaar waren, bevriend kunnen raken — en dat ik door hun uitstraling, houding en gedrag geïnspireerd ben geraakt. Ook daarin leerde ik het goede te herkennen en te waarderen.